Bijna jaarlijks worden er binnen onze gemeente één of meerdere stoffelijke resten van gesneuvelde militairen gevonden. Hoe worden deze stoffelijke resten ook wel “veldgraven” genoemd gevonden? In de meeste gevallen worden dergelijke “veldgraven” door hobbyisten met metaalzoekers (detectieapparatuur) in het terrein opgespoord.

In Berg en Dal is men vrij om te detecteren; een landeigenaar moet wel toestemming geven. Vooral tijdens de winterperiode wanneer de landbouwgewassen van het veld zijn wordt er door diverse personen uit Berg en Dal en van andere plaatsen uit Nederland met metaalzoekers systematisch alles afgezocht. Er zijn zelfs mensen die twee weken vakantie nemen om in Berg en Dal materiaal uit de tweede wereldoorlog te zoeken met alle risico’s van dien omdat er nog veel Niet Gesprongen Explosieven (NGE’s) aanwezig zijn.

Omdat er bij de stoffelijke resten vaak metalen, zoals helm, koppel, knopen, geweer, pistool etc.liggen kan een veldgraf vrij gemakkelijk worden opgespoord. Wanneer een graf gevonden wordt moet(en) de vinder(s) dit direct melden bij de plaatselijke politie. De politie informeert de gemeente (burgemeester) en de Bergings – en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht (BIDKL) ook wel bekend als de Gravendienst gevestigd te Soesterberg.

Het bergingsteam gaat meestal binnen enkele dagen naar het veldgraf om zo snel mogelijke de stoffelijke resten veilig te stellen. Het kan voorkomen dat metaalzoekende hobbyisten alle persoonlijke bezitten die worden aangetroffen meenemen en dat het graf een of meerdere keren wordt omgewoeld. Grafschennis is dan een feit. Indien er NGE’s worden verwacht dan schakelt de politie ook de Explosieve Opsporingsdienst (EOD) in zodat de medewerkers van BIDKL geen gevaar lopen. De stoffelijke resten gaan in een kist naar Soesterberg voor verder onderzoek (identificatie).

Indien men Amerikaanse stoffelijke resten aantreft wordt direct contact opgenomen met US Joint POW/MIA Accounting Command (JPAC). Deze dienst kan besluiten om de stoffelijke resten in Amerika te herbegraven.

In 2011 zijn er in Groesbeek de restanten van twee Amerikaanse parachutisten van de 82e Airborne Divisie op een terrein gelegen aan de Wylerbaan gevonden. Deze restanten zijn door de JPAC in Nederland opgehaald en naar Hawaï overgebracht om daar in de Centrale Identification Laboratories te onderzoeken en de identiteit vast te stellen (vaak door middel van DNA test). Ervaring leert dat de kans groot is dat de identificatie lukt zodat na 67 jaar eventuele nabestaanden op de hoogte gebracht kunnen worden.

In 2004 zijn een paar veldgraven van Duitse militairen opgegraven. Al vrij snel werd duidelijk dat deze veldgraven diverse keren waren omgewoeld waarbij alle persoonlijke bezitten zijn gestolen (strafbaar feit). Identificatie wordt dan zeer moeilijk. Vaak worden de stoffelijke resten op de begraafplaats in IJsselstein als onbekende soldaat herbegraven. Het is jammer dat er mensen zijn die geen enkel respect tonen en zo met de graven omgaan. Voor de nabestaanden is de term “Vermist is erger dan dood” een hard gegeven; ook na zoveel jaar